Monday, November 9, 2009

Aangewakkerde vaccinatieangst

Eerder is in deze blog al aandacht geschonken aan het Nieuwe Influenza A (H1N1) virus (Robuust, Meer met minder). Eind van de zomer was er (heel erg) veel aandacht voor in de media, maar er waren nog maar weinig patiënten en de bevolking schafte op grote schaal mondkapjes en desinfecterende middelen aan. Inmiddels is het herfst, het Mexicaanse griepvirus heeft epidemische vormen aangenomen en de eerste vaccins van de 34 miljoen doses die Minister Klink heeft aangeschaft zijn gearriveerd. De vaccinatiecampagne start met de risicogroepen (ouderen, chronisch zieken en kleine kinderen), daarna de ‘rest van Nederland’. Of de rest van Nederland en zelfs de risicogroepen zich wel wíllen laten vaccineren is de vraag. Vaccinatie is in Nederland niet verplicht, zelfs niet in beroepen waar het risico op besmettingen zeer hoog is (in de ziekenhuissfeer: niet het risico op besmetting van de verpleging maar door de verpleging) (zie ook Robuust).

“Ik heb nooit de griep”, was en is nog steeds een veelgehoord argument om vaccinatie tegen Mexicaanse griep te weigeren. Niet zo’n sterk argument. Ikzelf heb ook nooit de gele koorts gehad, maar dat komt vooral omdat het gele koorts virus niet in Nederland voorkomt. Bovendien, resultaten behaald in het verleden (tegen andere virussen) bieden geen garantie voor de toekomst.

Er zijn altijd tegenstanders van vaccinatie geweest, op grond van geloofs- of levensovertuiging. Vooral die laatste groep beroept zich op pseudowetenschap om vaccins en vaccincomponenten als zeer gevaarlijk af te schilderen. Een voorbeeld hiervan is de publiciteit rond het adjuvant squaleen. Een adjuvant is een stof die aan een vaccin wordt toegevoegd om de werkzaamheid te verhogen. Hierdoor kan ook de hoeveelheid vaccin per dosis worden teruggebracht en dus meer mensen worden gevaccineerd. Allerlei actiegroepen, zoals het al langer bestaande ‘Kritisch Prikken’ en de inderhaast opgerichte ‘De Spuit Blijft Eruit’ en ‘Prikmijmaarlek.nl’ lopen te hoop tegen squaleen. Dat zou bij Amerikaanse militairen het Golfoorlog- syndroom hebben veroorzaakt, omdat het een onderdeel is van het miltvuurvaccin. Na vaccinatie zouden mensen ook antilichamen gaan vormen tegen squaleen, wat weer tot autoimmuunziekten zou leiden. Wat is nu eigenlijk squaleen? Dat is een vetachtige stof, vergelijkbaar met cholesterol, en hij wordt aangemaakt door iedere levende cel. Ieder mens maakt in iedere cel voortdurend squaleen aan. Soms maken mensen antilichamen tegen squaleen, maar dat staat los van vaccinatie. En squaleen is niet gebruikt in het miltvuur vaccin. De beweringen van bovengenoemde actiegroepen zijn dus nonsens, zelfs gevaarlijke nonsens. Waarom gevaarlijke nonsens? Omdat ze de angst die misschien bij sommige mensen heerst voor vaccinatie, aan proberen te wakkeren. Aanwakkeren met onwetenschappelijke argumenten. Het weerleggen van die argumenten is bijna onmogelijk geworden, omdat de tegenstanders overtuigd zijn van een grote wereldwijde complottheorie. Zelfs de WHO wordt afgeschilderd als organisatie die de hele wereldbevolking wil uitroeien.

De Mexicaanse griep wordt tot nu toe afgeschilderd als een milde griep. Dat is ook zo, want bij veruit de meeste patiënten is de ziekte binnen een week voorbij. Helaas gaat dat niet voor iedereen op. Ogenschijnlijke gezonde kinderen zijn aan deze griep overleden en dan krijgt de kwalificatie ‘milde griep’ een navrante bijsmaak. Bij het beschikbaar komen van het vaccin kan iedereen zich kosteloos laten vaccineren, en zich daardoor beter beschermen tegen dit virus. Dat moet niet, dat mag. Bij twijfel over die keuze kan men zich het best laten leiden door het advies van deskundigen op dit gebied. Zeker niet door angst, al dan niet aangewakkerd.

Wednesday, October 21, 2009

Nooit een Nobelprijs

Streptococcus pneumoniae is de officiële wetenschappelijke naam voor een bacterie die longontsteking kan veroorzaken. Behalve een longontsteking kun je van deze bacterie ook hersenvliesontsteking, bloedvergiftiging of een middenoorontsteking oplopen. Allemaal ernstige ziekten, maar aan de longontsteking (pneumonie) veroorzaakt door deze bacterie, die pneumokok wordt genoemd, overlijden de meeste mensen. Over de hele wereld sterft er iedere 15 seconden een kind aan een pneumokokken pneumonie. Genoeg redenen dus om hier aandacht aan te besteden. Bijvoorbeeld op de ‘Wereld Pneumonie Dag’, die dit jaar voor het eerst gehouden wordt op 2 november. En ook natuurlijk door veel onderzoek te doen naar de speciale relatie tussen de pneumokok en het immuunsysteem van de mens. Want waarom is de pneumokok zo succesvol (vanuit het standpunt van de bacterie geredeneerd)?

De pneumokok wordt omgeven door een dik kapsel van suikers (als een soort M&M-etje) en door dat kapsel probeert de bacterie zich af te schermen van het immuunsysteem. Het dikke kapsel zorgt ervoor dat antilichamen niet bij de bacteriecelwand kunnen komen en ook dat complementeiwitten de bacterie niet kunnen doden. Om het extra moeilijk te maken voor het immuunsysteem zijn er meer dan 90 verschillende suikerkapsels waarmee een pneumokok omhuld kan zijn. Wanneer je één pneumokokkeninfectie hebt doorgemaakt dan ben je daarna (waarschijnlijk) wel immuun tegen die ene pneumokok maar nog niet tegen die andere 89. Tenslotte, en dat maakt jonge kinderen extra gevoelig voor pneumokokken, is het immuunsysteem tot 1½ - 2 jaar nog helemaal niet in staat om antilichamen te maken tegen de pneumokokken suikerkapsels. Op allerlei eiwitten van bacteriën en van virussen kan het immuunsysteem van pasgeborenen heel goed reageren, maar niet op suikerkapsels.
Dat betekent dat een vaccin tegen pneumokokken, gemaakt van suikerkapsels, niet werkzaam is bij pasgeborenen omdat het immuunsysteem er nog niet op kan reageren.

Bijna 80 jaar geleden werkte Oswald Avery, samen met Walther Goebel in de Verenigde Staten aan een verbeterde versie van suikerkapsel vaccins. Ze bedachten dat wanneer je een eiwit zou koppelen aan het suikerkapsel er misschien wel een veel krachtiger vaccin zou kunnen ontstaan en dat bleek zo te zijn. Dat was een geweldige ontdekking, maar op het verkeerde moment in de geschiedenis. In de dertiger jaren van de vorige eeuw was het helemaal niet sexy om onderzoek te doen aan vaccins. Iedere zichzelf respecterende microbioloog werkte aan antibiotica, want die middelen zouden alle infectieziekten van de aardbodem laten verdwijnen. Inmiddels weten we beter, maar het heeft helaas een halve eeuw geduurd voordat de vinding van Avery en Goebel herontdekt werd. Gebaseerd op hun werk kunnen pasgeborenen nu wel effectief worden gevaccineerd tegen pneumokokken en dat gebeurt sinds 1 april 2006 ook in Nederland.

Op zich zou deze ontdekking al voldoende hebben moeten zijn om Oscar Avery de Nobelprijs toe te kennen. Avery heeft zijn hele leven aan pneumokokken gewerkt. Hij ontdekte ook dat wanneer je pneumokokken van een bepaalde stam samen kweekt met een andere stam dat de eigenschappen (de samenstelling van het suikerkapsel) van de ene op de andere bacterie overgedragen kunnen worden. Daarvoor had hij zelfs geen levende bacteriën nodig, zelfs met het nucleïnezuur ging dat ook. Zo heeft Avery dus voor het eerst aangetoond dat DNA de drager is van erfelijke eigenschappen. In die tijd een revolutionaire vinding,omdat iedereen toen nog dacht dat eiwitten de drager waren van erfelijkheid. Gelukkig heeft hij voor zijn werk een flink aantal onderscheidingen gekregen, waaronder de Lasker Award in 1947. De Lasker Award is een soort voorportaal voor de Nobelprijs.

Oswald Avery overleed in 1955, nét voordat er belangstelling kwam voor DNA-onderzoek. Een paar jaar na zijn dood kregen andere wetenschappers wel de Nobelprijs voor hun onderzoek naar DNA. Avery is verschillende keren voorgedragen, maar nooit interessant genoeg gevonden toen hij nog leefde. De Nobelprijs wordt alleen aan levenden toegekend. De enorme impact van zijn wetenschappelijk werk, zowel DNA als pneumokokken vaccins, heeft hij helaas zelf niet meer mogen meebeleven.

Wednesday, October 14, 2009

Eeuwige jeugd en een beter immuunsysteem door sperma slikken

De populaire pers smult van wetenschappelijk onderzoek met een seksueel tintje. Zoals het onderzoek van dr. Eisenberg en medewerkers dat gepubliceerd werd in Nature Cell Biology, een hoogstaand wetenschappelijk tijdschrift. Deze onderzoekers hebben het effect van spermidine op de overleving van fruitvliegjes en gekweekte muizencellen bestudeerd. In dezelfde publicatie is ook onderzocht of lymfocyten in een reageerbuis beter overleven met spermidine. Het antwoord op alle vragen was: ja, met spermidine gaat alles beter. Spermidine is een zogenoemd polyamine. Het is noodzakelijk voor allerlei processen in de cel en is daarom ook aanwezig in alle levende cellen. Meer dan 50 jaar geleden werd spermidine als eerste ontdekt in sperma, en daar stamt de naam ook vanaf.

Na het bekend worden van het onderzoek van Eisenberg verschenen er meteen tientallen publicaties, allemaal met suggestieve titels zoals boven deze blog. Twee vragen komen hierbij op:
  1. Wat is de betekenis van dit onderzoek voor het verouderingsonderzoek en de immunologie?
  2. Kloppen de getallen?
Laten we met de getallen beginnen. De fruitvliegjes van Eisenberg leefden langer wanneer ze suikerwater te drinken kregen met daarin een concentratie van 10 millimolair spermidine, en dat is evenveel als 1,45 gram spermidine per liter. Menselijk sperma bevat 3.3 milligram spermidine per gram. Enig rekenwerk leert dat als wij fruitvliegjes zouden zijn, we per dag ruim 1 liter sperma zouden moeten drinken. Zelfs als je het lekker zou vinden, is dat toch wat veel. Er zijn gelukkig ook andere voedingsmiddelen met spermidine. In feite bevat zelfs ieder voedinsgmiddel spermidine, maar koplopers zijn grapefruit en zuurkool. Toch zou je iedere dag 3 kilo grapefruit moeten eten om dezelfde voordelen als fruitvliegjes te behalen. Nog een opmerking over mogelijke gezondheidsclaims voor sperma. Sperma bevat naast spermidine nog andere amines zoals putrescine en cadaverine. De naam van dat laatste belooft niet veel goeds en dat is het ook niet. Bij hoge doses is het toxisch. Uit oogpunt van de algemene gezondheid zijn er dus weinig argumenten om sperma te slikken.

De interactie tussen sperma en het immuunsysteem is complex. Tijdens de zwangerschap mag het immuunsysteem van moeder het embryo, dat immers half lichaamsvreemd is, niet afstoten en dat gebeurt (meestal) ook niet. Is er dan geen contact tussen embryo en immuunsysteem van moeder? Jawel, trofoblastcellen uit de placenta maken in de baarmoeder intensief contact met cellen van moeder, ook met cellen van het immuunsysteem. Er vindt geen afstotingsreactie plaats omdat het immuunsysteem van moeder tolerant is geworden voor de cellen van het embryo. Immunologische tolerantie is een ingewikkeld mechanisme waarbij de T-lymfocyten van moeder de cellen en eiwitten van het embryo herkennen en geactiveerd worden tot zogenoemde regulatoire T-lymfocyten. Deze regulatoire T-lymfocyten onderdrukken het immuunsysteem zodanig dat het embryo niet wordt afgestoten. Immunologische tolerantie is dus een actief proces (“ik zie je wel maar ik doe niets”). Dit proces start al bij de conceptie. Zaadvloeistof bevat eiwitten die het immuunsysteem op gang brengen en waardoor regulatoire T-lymfocyten worden gevormd. Wanneer het opwekken van immunologische tolerantie niet goed verloopt, en het immuunsysteem van moeder juist actief gaat reageren, dan kan dat leiden tot onvruchtbaarheid. Het complexe samenspel tussen sperma en immuunsysteem van moeder laat zich niet zo gemakkelijk vertalen in smeuïge krantenkoppen, maar dankzij het soort onderzoek van Eisenberg komt er hopelijk ook meer aandacht voor de immunologie van vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid .

Tuesday, October 6, 2009

Brandblussers

Wanneer het immuunsysteem in actie moet komen om een infectie met een micro-organisme op te ruimen dan gaat dat gepaard met ontsteking. Een ontstekingsreactie kan ook optreden als gevolg van tal van andere beschadigende prikkels. Bijvoorbeeld schadelijke immunologische reacties (zoals allergieën en auto-immuunziekten), trauma, ‘vreemde lichamen’ (zoals splinters of hechtmateriaal dat gebruikt wordt bij operaties), fysische schade (verbranding, bevriezing, bestraling) en verschillende chemische stoffen. Ook als er lichaamscellen doodgaan, zoals bij een hartinfarct, komen daarbij stoffen vrij die aanleiding geven tot een ontstekingsreactie.

Een ontsteking is niet per definitie slecht. De Romeinse geleerde Celcus (niet te verwarren met de Zweed Anders Celsius) schreef al in zijn medische encyclopedie dat het ontstekingsproces tot doel heeft om het lichaam weer in een staat van gezondheid terug te brengen. Celcus leefde in de 1ste eeuw (van 25 jaar voor tot 50 jaar na Christus) en hij beschreef ook de belangrijkste kenmerken van ontsteking: rubor (roodheid), calor (warmte), tumor (zwelling) en dolor (pijn). Pas 18 eeuwen later werd daar door de Duitse patholoog Virchow nog functio leasa (verstoorde functie) aan toegevoegd.

Een ontstekingsreactie begint met locale productie van stoffen zoals histamine, bradykinine en stikstof oxide. Deze stoffen zorgen voor een verwijding van de bloedvaten. De betere doorbloeding leidt tot roodheid (rubor) van het weefsel en door de betere doorbloeding ter plaatse zal de temperatuur (calor) hoger worden. De bloedvaten worden ook meer doorlaatbaar en vocht hoopt zich in het ontstoken weefsel op (tumor). Dit locaal oedeem kan pijnreceptoren activeren (dolor). De belangrijkste pijnsensatie wordt echter veroorzaakt door kininen die direct receptoren op zenuwuiteinden activeren. De pijn zal een belemmering vormen voor de beweeglijkheid (of anderszins de functie) van het betrokken lichaamsdeel. Het ontstekingsproces zelf draagt dus bij aan functiebeperking van het betrokken weefsel of orgaan (functio laesa), wat in geval van een infectie de verspreiding door het lichaam kan beperken.

Vrijwel iedereen kent uit eigen ervaring dat tijdens de ontstekingsreactie er ook onderdrukking van de eetlust optreedt. Dit kan worden toegeschreven aan de koorts. Bij een ontsteking wordt de stof interleukine 1 (IL-1) aangemaakt (zie ook Alle remmen los). IL-1 kan binden aan het temperatuur-regulatie centrum in de hersenen en zet als het ware de thermostaat een graadje hoger: koorts. Nu blijkt dat een andere ontstekingsbevorderende stof, interleukine 18 (IL-18), rechtstreeks de eetlust onderdrukt. Bij chronische ontsteking kan door het gebrek aan eetlust zelfs een toestand van ondervoeding ontstaan.

Hoewel een ontstekingsreactie uiteindelijk een gunstige reactie is, en daarom niet zondermeer geremd moet worden, is met name de pijn (dolor) reden om in te grijpen. De middelen daarvoor waren al lang bekend voordat Celcus het verband tussen pijn en ontsteking ontdekte. Hippocrates heeft in de 5de eeuw voor Christus de pijnstillende en koortsverlagende werking van gemalen schors van de witte wilg (Salix alba) beschreven. Tweeduizend jaar voor Christus stond op Soemerische kleitabletten al het gebruik van wilgenschors bij de behandeling van reuma opgetekend. Het heeft bijna vierduizend jaar geduurd voordat het actieve ingrediënt werd gezuiverd: salicylzuur, de basis voor het aspirientje.
Soms gaat de ontwikkeling van de wetenschap wel heel erg langzaam. Aspirine is een heel krachtige ontstekingsremmer, brandblusser dus eigenlijk. Bij het blussen van de brand ontstaat er soms toch aanzienlijke waterschade, reden dus om er voorzichtig mee om te springen.

Tuesday, September 29, 2009

Het Paard van Troje

In de zestiger jaren van de vorige eeuw werkte Dennis Burkitt, een Engelse chirurg in Kampala, Oeganda in het Mulago ziekenhuis. Hij ontdekte bij Oegandeese kinderen een tumor in de onderkaak die hij in Engeland eigenlijk nooit gezien had. Zijn vermoeden was dat deze tumor door een infectie werd veroorzaakt en dat was juist.
Het virus wat we nu kennen als EBV, Epstein Barr virus, veroorzaakt het Burkitt lymfoom en is 45 jaar geleden ontdekt door Anthony Epstein, Yvonne Barr en door Bert Achong. Om onduidelijke redenen is Dr. Achong niet in de naam van het virus opgenomen, ondanks het feit dat hij de eerste was die het virus door zijn elektronenmicroscoop heeft gezien. Kampioenen winnen zelden de fairplay cup en dat geldt ook in de wetenschap. Gelukkig wordt Achong in zijn geboorteland Trinidad wel als een groot wetenschapper geëerd.

Het EBV virus infecteert B-lymfocyten en kan, bij daarvoor gevoelige kinderen, het Burkitt lymfoom, een vorm van kanker, veroorzaken. Nadat het virus de cel is binnengedrongen toont het zijn ware gedaante en transformeert de cel tot een tumorcel. Zolang het virus buiten de cel is, zich nog buiten de poort bevindt als het ware, is het geheel ongevaarlijk. Pas nadat het binnen is starten de problemen, net als bij het paard van Troje. De Trojanen haalden echter het paard enthousiast naar binnen, terwijl het EBV virus de B-lymfocyt binnendringt.

Het Burkitt lymfoom komt zo goed als nooit voor in Nederland, EBV wel. Bijna iedereen komt eerder vroeger dan later met EBV in aanraking. Het EBV virus wordt namelijk van mens op mens via speeksel overgedragen. In Belgie heet het daarom kusjes ziekte, in Engeland kissing disease. Meestal gaat een EBV infectie ongemerkt voorbij: het virus infecteert een aantal B-lymfocyten. De geïnfecteerde B-lymfocyten worden door T-lymfocyten herkend, aangevallen en gedood. Daarmee is het virus onder controle maar je bent het niet helemaal kwijt. EBV blijft de rest van je leven bij je. Dat komt omdat in een aantal geïnfecteerde B-lymfocyten het virus in een soort slapende toestand aanwezig blijft. Zolang het virus niet actief wordt, wordt de B-lymfocyt ook niet door T-lymfocyten herkend en treedt er geen reactie op van het immuunsysteem.

In een aantal gevallen veroorzaakt een eerste contact met het EBV virus de ziekte van Pfeiffer, mononucleosis infectiosa. Er zijn dan zoveel B-lymfocyten geïnfecteerd dat de reactie van de T-lymfocyten heel hevig is en die reactie geeft de ziekteverschijnselen: koorts, vermoeidheid, opgezette lymfklieren. Vrijwel altijd gaat Pfeiffer vanzelf over, meestal na 3 tot 4 weken.

Kan het EBV nog meer? Ja, EBV kan bij jongetjes met een zeldzame vorm van immuundeficiëntie een ongecontroleerde uitgroei van B-lymfocyten veroorzaken waaraan het kind meestal overlijdt. Ook bij transplantatiepatiënten, waarbij het immuunsysteem met medicijnen onderdrukt moet worden om afstoting van het getransplanteerde orgaan tegen te gaan, kan het EBV reactiveren. Omdat deze patiënten geen T-lymfocyten hebben (die worden immers door de medicijnen onderdrukt) kan EBV dan zeer ernstig verlopen. Gelukkig zijn er tegenwoordig krachtige antivirale middelen beschikbaar, maar EBV reactivatie blijft een gevreesde complicatie bij transplantatie.

Vanwege de overeenkomsten in symptomen is lang gedacht dat EBV infectie ook wel eens de oorzaak van het chronisch vermoeidheidssyndroom zou kunnen zijn. Ondanks grootschalig onderzoek is dat nooit aangetoond. Of er een ander virus, en dus een ander paard van Troje, ten grondslag ligt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom zal de toekomst moeten leren.

Monday, September 14, 2009

Robuust

Eén dosis van het H1N1 vaccin levert al een robuuste immuunrespons op werd deze week bekend. Dat is goed nieuws want dat zou kunnen betekenen dat één dosis vaccin al bescherming biedt tegen het H1N1 griepvirus en dan heeft minister Klink zeker genoeg doses vaccin ingekocht. Daarbij ging hij er overigens van uit dat iedereen zich ook zou willen laten vaccineren, maar daarover straks meer.

Het woord robuust, is dat bedacht door een creatieve journalist of gebruiken de onderzoekers zelf dit soort taal? Een blik in de betreffende publicatie in de New England Journal of Medicine, een respectabel medisch-wetenschappelijk tijdschrift, laat zien dat de onderzoekers zelf spreken van een robuuste immuunrespons. Er heeft de laatste paar jaar een geweldige toename plaatsgevonden van het gebruik van het woord robuust in de wetenschappelijke literatuur, niet alleen in de immunologie. Ook naar die toename is weer onderzoek gedaan en wat blijkt? Als het woord robuust voorkomt in de titel van een wetenschappelijk abstract dan verhoogt dat de kans dat zo’n abstract geaccepteerd wordt voor presentatie op een congres. Wanneer het woord waarschijnlijk voorkomt in de titel dan verlaagt dat de kans. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor wetenschappelijke publicaties en zo worden onderzoekers verleidt tot al te ferme uitspraken in reclametaal.

Het vaccin tegen het H1N1 griepvirus is in aantocht, net als het griepvirus zelf overigens. De griep verloopt (gelukkig) over het algemeen vrij mild, behalve bij personen met een onderliggende ziekte. In een ziekenhuis opgenomen personen hebben vaak een ziekte die hen gevoelig maakt voor een ernstiger beloop. Op het moment dat er grieppatiënten van buiten in een ziekenhuis worden opgenomen lopen zij (die overige patiënten dus) extra risico. Bij de overdracht van een virus van de ene patiënt naar de andere is het ziekenhuispersoneel ook een factor. Daarom is het belangrijk dat mensen die in een ziekenhuis werken als een van de eersten gevaccineerd worden.
In Nederland is dat, gek genoeg, niet verplicht. Een verpleegkundige die niet tegen kinkhoest is gevaccineerd mag op een kinder IC werken. In de UMC krant voor medewerkers zegt een teamleider van een IC unit dat ze persoonlijk het H1N1 vaccin niet wil. Haar argument is dat ze het regulier griepvaccin ook nooit neemt. Een wel erg robuuste uitspraak, om in hetzelfde jargon te blijven, die wat mij betreft niet te rijmen valt met een beleid gericht op optimale patiëntveiligheid.

Monday, September 7, 2009

Meer met minder

Voor het opwekken van een immuunrespons is slechts een minimale prikkeling nodig. Dat is voorstelbaar want het immuunsysteem moet natuurlijk al vroeg tijdens een infectie reageren en niet pas wanneer er al miljarden bacteriën of virussen zijn gegroeid. Maar hoe vroeg is vroeg en hoeveel bacteriën zijn nodig om een reactie in gang te zetten?
De waarheid is dat we dat niet precies weten en ook moeilijk te weten kunnen komen. Een levende bacterie kan zich iedere 20 minuten delen dus 1 bacterie is na 1 uur uitgegroeid tot 8 bacteriën, 1 uur later 64, weer een uur later 512 enzovoort. Het aantal bacteriën zal dus in eerste instantie blijven toenemen en pas wanneer de immuunrespons op gang komt, af gaan nemen tot uiteindelijk terug naar 0.

Voor een niet-levende prikkel (zoals een vaccin) is het gemakkelijker om te weten te komen welke dosis nodig is voor een optimale respons. Voor sommige vaccins ligt die dosis zo hoog dat het bereiken van een optimale respons met belangrijke nadelen gepaard gaat: veel vaccin is niet alleen duur maar wanneer het wordt ingespoten ook pijnlijk. Om die reden worden hulpstoffen toegevoegd die de respons op het vaccin kunnen versterken zodat de dosis van het vaccin verminderd kan worden. Die hulpstoffen worden adjuvant genoemd, een woord afgeleid van het Latijnse adjuvare wat helpen betekent.

Er bestaan een groot aantal verschillende adjuvantia maar uitsluitend aluminium zouten worden momenteel gebruikt als adjuvantia in vaccins voor gebruik bij de mens. Maatschappelijke groeperingen die tegenstander zijn van vaccinatie ageren ook tegen het gebruik van adjuvantia. Vijftig jaar geleden al hielden Jehova getuigen een campagne tegen het gebruik van aluminium, niet alleen in vaccins overigens maar ook als keukengerei. Gesteld werd dat aluminium kanker zou veroorzaken.

Aan een vaccin worden ook andere stoffen toegevoegd, bijvoorbeeld om de houdbaarheid te verbeteren. Vroeger werd daarvoor thimerosal gebruikt, een kwik bevattende verbinding. Ten onrechte werd een verband gelegd tussen thimerosal in vaccins en het ontstaan van autisme. Ondanks uitgebreid onderzoek dat het tegendeel aantoont, blijft deze vermeende bijwerking persisteren en zijn er ouders die daarom hun kinderen vaccinaties onthouden. Daarom is uit alle vaccins het thimerosal vrijwel volledig verwijderd. Vroeger bevatten al de vaccins samen die een kind krijgt een zelfde hoeveelheid kwik als die je binnenkrijgt met een boterham met tonijnsalade. Nu is dat de hoeveelheid kwik die een baby binnenkrijgt met 1 dag borstvoeding.

Terug naar de adjuvantia. Het toevoegen van adjuvantia betekent dat je met een bepaalde hoeveelheid vaccin veel meer mensen kunt vaccineren. Dat maakt een vaccindosis goedkoper. Dat maakt ook, omdat per persoon minder vaccin nodig is, dat er sneller voldoende vaccin geproduceerd zal zijn tegen het nieuwe influenza A virus (Mexicaanse griepvirus). Adjuvantia kunnen er dus voor zorgen dat met minder vaccin meer mensen beschermd kunnen worden.

Tuesday, September 1, 2009

Koekje erbij?

Koekjes zijn niet echt gezond (teveel suiker, teveel vet) maar wel lekker. Stoute koekjes hebben dan ook nog chocola, caramel of jam en verantwoorde koekjes bevatten meerdere granen. Al het voedsel dat we eten, dus ook het koekje, moet via de darm in het lichaam worden opgenomen. De totale lengte van de darmen is ongeveer 10 meter maar de totale oppervlakte is wel 200 vierkante meter, evenveel als een tennisveld. Dit enorme oppervlak wordt mogelijk gemaakt doordat de darm sterk geplooid is in vlokken en microvlokken (ook wel villi en microvilli genoemd). Het hele darmoppervlak is nodig om voldoende voedingsbestanddelen op te kunnen nemen. Wanneer ten gevolge van een ziekte een gedeelte van de darm operatief verwijderd moet worden dan heeft dat dus directe consequenties voor de voedselopname.

Bij de ziekte coeliakie (spreek uit: seulia-kie) is de voedselopname ernstig verstoord. De darm is niet te kort maar de darmvlokken zijn veel te klein. Coeliakie is een ziekte die wordt veroorzaakt door een reactie van het immuunsysteem op gluteneiwitten in granen. Een meergranenkoekje geeft bij een coeliakie patiënt zo’n heftige reactie dat soms zelfs een korreltje al teveel is.

Kinderen met coeliakie hebben een opgezette buik maar zijn verder extreem mager, hebben vettige diarree, achterblijvende groei en zijn (uiteraard) slecht gehumeurd. De Nederlandse kinderarts Karel Dicke deed tijdens de Hongerwinter in de 2de Wereldoorlog een belangrijke waarneming. Hij merkte dat de kinderen met coeliakie toen ze geen brood meer kregen en tulpenbollen aten, het juist heel goed deden: ze kwamen aan in gewicht! Hij concludeerde dat het brood een stof bevatte die bij kinderen met coeliakie de problemen veroorzaakte en toonde later aan dat het de gluteneiwitten waren.

Wat gebeurt er bij coeliakie? Het immuunsysteem reageert zo agressief op de gluteneiwitten dat dat leidt tot hevige ontstekingsreacties in de darm. Maar hoe komt het dat in een situatie waarin vrijwel iedereen brood eet de ene persoon wel coeliakie krijgt en de meeste anderen niet (bij 1 op de 1000 mensen is de ziekte vastgesteld, waarschijnlijk 1 op de 200 mensen heeft de ziekte zonder dat zelf te beseffen)?

Om coeliakie te kunnen krijgen is een bepaalde erfelijke aanleg nodig. Alleen mensen met bepaalde HLA genen (lees ook Zoek de verschillen op dit blog) kunnen coeliakie krijgen. De HLA moleculen zijn de presenteerblaadjes voor het immuunsysteem en alleen HLA-DQ2 en HLA-DQ8 kunnen de gluteneiwitten presenteren aan het immuunsysteem. Het immuunsysteem reageert nog niet meteen op het gluteneiwit zelf. Dat moet eerst nog gedeeltelijk worden omgezet door enzymen, de transglutaminasen. Vervolgens worden er grote hoeveelheden antilichamen gevormd tegen het gluteneiwit, tegen het transglutaminase enzym en ook T lymfocyten worden geactiveerd. Alles bij elkaar is de reactie van het immuunsysteem zo hevig dat de hele structuur van de darmvlokken verloren gaat. Hierdoor blijft er te weinig darmoppervlak over voor voldoende voedselopname.

Een kwart van alle Nederlanders heeft de HLA-DQ2 of DQ8 genen. De overgrote meerderheid heeft geen coeliakie, ook al eten ze iedere dag brood.
Hoe kan dat? Blijkbaar zijn er nog andere factoren (erfelijke of omgevingsfactoren) die bepalen of je coeliakie krijgt maar welke dat zijn is nog onbekend.

Wat te doen bij coeliakie? De enige remedie is het vermijden van gluten. Dat betekent een streng en strikt levenslang dieet zonder tarwe, rogge, gerst, kamut of spelt. Rijst mag wel, haver ook.
Maar... veel haver is verontreinigd met een spoortje tarwe en dan kan het weer niet. Een patiënt met coeliakie moet dus levenslang opletten wat hij eet en een koekje erbij? Nee, nooit.

Monday, August 10, 2009

Waar heb dat nou voor nodig?

“Waar heb dat nou voor nodig?” was de titel van de VPRO Kerstshow in 1973, geschreven door Wim T. Schippers en gezongen door Sjef van Oekel. Je vraagt je dat zelf ook wel eens af als de rekening van de garage komt na een grote beurt. Er blijken dan onderdelen te zijn vervangen waar je nog nooit van gehoord hebt, laat staan dat je weet waarvoor ze dienen. Een gemiddelde auto bestaat uit zo’n 10.000 onderdelen. Zouden die echt allemaal nodig zijn om veilig auto te kunnen rijden? Een aantal onderdelen is natuurlijk essentieel (wielen, motor) of zeer gewenst (remmen, voorruit) maar sommige onderdelen zijn of lijken overbodig. Geldt dat ook voor het immuunsysteem, heeft dat ook onderdelen die eigenlijk overbodig zijn?

Een orgaan waarvan vroeger werd gedacht dat het geen enkele functie had, en dus overbodig zou zijn, is de milt. De milt ligt links in de buikholte, vlak onder de ribbenboog. Bij een ernstig trauma, zoals bijvoorbeeld een frontale botsing, kan de milt scheuren en dat leidt tot groot bloedverlies in de buik. Vaak wordt dan de milt operatief verwijderd. Dit stopt de bloeding en redt daarmee het leven van de patiënt. Hierin onderscheidt de milt zich: bij een patiënt met een bloedend hart is operatieve verwijdering geen optie. Een milt kán dus worden verwijderd en behalve in het geval van een trauma gebeurt dat ook bij sommige andere aandoeningen. Een daarvan is sikkelcelanemie.

Bij deze ziekte zijn de rode bloedcellen abnormaal van vorm. De milt heeft als functie om het bloed te filteren en op die manier ook te oude of beschadigde rode bloedcellen te verwijderen. Bij sikkelcelanemie lijkt het voor de milt alsof álle rode bloedcellen beschadigd zijn, ze worden allemaal weggefilterd en daardoor ontstaat een ernstige bloedarmoede. Verwijdering van de milt verhelpt de bloedarmoede, het belangrijkste symptoom van sikkelcelanemie.

De milt filtert dus het bloed. Tijdens dit proces verdwijnen ook alle bacteriën die in het bloed voorkomen, ze worden opgenomen door macrofagen die zich in de milt bevinden. Hiermee is de milt belangrijk voor de afweer. Bovendien worden in de milt veel antilichamen geproduceerd, vooral tegen de zogenaamde gekapselde bacteriën. Personen zonder milt zijn daardoor dubbel gevoelig voor dit soort infecties: de gekapselde bacteriën worden niet uit het bloed weggefilterd en er worden veel minder antilichamen tegen gemaakt. Dat kan leiden tot een hevig verlopende infectie in het bloed, zelfs met een dodelijke afloop. Mensen waarbij de milt is verwijderd, moeten zich bewust zijn van het risico van een dergelijke infectie. Om die infecties te voorkomen dienen ze optimaal gevaccineerd te worden en, voor het geval plotseling koorts optreedt, antibiotica bij zich te dragen.

Heeft de milt nog meer functies? Een stekende pijn in de zij die optreedt bij lang hardlopen wordt toegeschreven aan de milt. Het extra bloed dat bij een grote inspanning nodig is zou door het samentrekken van de milt kunnen vrijkomen en dit samentrekken zou de pijn veroorzaken. Prompt waren er marathonlopers die operatief hun milt lieten verwijderen om van dit ongemak verlost te zijn. Van de gevolgen daarvan waren ze zelf en/of hun chirurg blijkbaar niet bewust. Helaas kun je ook zonder milt nog steeds pijn in je zij oplopen. Deze wordt namelijk niet veroorzaakt door samentrekking van de milt maar door ophoping van gas in de dikke darm.

Sunday, August 2, 2009

Lessen in zelfverdediging

Hoe kun je weten of je eigen immuunsysteem goed werkt? Het hebben van een goede algemene gezondheid, ook tijdens het griepseizoen, zegt op zich niet alles. Want ja, je moet wel in contact komen met een ziekteverwekker om te weten of je immuunsysteem goed functioneert. Bij droog weer lekt je dak nooit. Jezelf opzettelijk blootstellen aan een virus om uit te vinden of jouw immuunsysteem wel voldoende bescherming biedt, dat doe je niet zo gauw. Onveilige sex en dat met grote regelmaat is een vrij zekere manier om met tal van levensgevaarlijke virussen en bacteriën in aanraking te komen. De kans dat er een micro-organisme tussenzit dat zelfs het beste immuunsysteem weet te verslaan is groot. Een veel veiligere manier is om bij twijfel een zogenaamd immuunstatus onderzoek te laten verrichten. Daarbij worden een aantal onderdelen van het immuunsysteem onderzocht, zoals het aantal lymfocyten en de hoeveelheid antilichamen in het bloed.

Met de toenemende verspreiding van het nieuwe influenza A virus (de 'Mexicaanse griep') vragen velen zich (terecht) af of ze gevoelig zullen zijn voor dit virus, met andere woorden of hun immuunsysteem zo’n aanval kan afslaan. In de overgrote meerderheid van de besmettingen verloopt de griep mild en zijn de symptomen van koorts, hoesten, niezen, hoofdpijn en vermoeidheid binnen een week weer verdwenen. Het immuunsysteem heeft dan met succes het virus verslagen. Bij een onderliggende ziekte zoals diabetes of een hartkwaal kan een infectie met het nieuwe influenza A virus een veel ernstiger verlopen.

De allerbeste manier om het immuunsysteem te versterken, en daardoor beschermd te zijn tegen infectie met het nieuwe influenza A virus is vaccinatie met een veilig en effectief vaccin. Tot aan het moment dat een dergelijk vaccin beschikbaar is, en waarschijnlijk ook nog wel daarna, worden de media en vooral het internet overspoeld met alternatieve middelen om het immuunsysteem te versterken om zo dit virus te kunnen weerstaan.

Voor een compleet overzicht van wat er allemaal wordt aangeboden is deze blog niet bedoeld (en ook niet lang genoeg), daarom de Top 5 uit de publicatie Cold and Flu? Not You!
  • Op 1: neem een massage.
    Eén keer per week 20 minuten is genoeg. Je hoeft zelfs niet voor naar een masseur, een vibrator is even effectief. Bij massage stijgt het aantal Natural Killer cellen in het bloed. Natural Killer cellen zijn een bepaald soort lymfocyten die virussen kunnen doden. Een toename van het aantal Natural Killer cellen zou de afweer tegen het nieuwe influenza A virus dus kunnen versterken. Zou kunnen versterken omdat het totaal aantal Natural Killer cellen in het lichaam niet toeneemt, alleen de aantallen in het bloed.

  • Op 2: slik veel vitamine C.
    Dat klinkt goed en vertrouwd en veel mensen doen dat al in de winter. Het is echter nog nooit bewezen dat vitamine C, zelfs niet in megadoses, helpt bij de afweer tegen virusinfecties.

  • Nummer 3 kan een kern van waarheid bevatten: lach!
    Lachen verlaagt de concentratie cortisol en verhoogt de endorfine spiegels. Deze neurohormonen reguleren het immuunsysteem.

  • Op 4 een vergelijkbaar advies: ga dansen.
    Dansen heeft ongeveer dezelde effecten op het neurohormonale systeem als lachen. Het luisteren naar populaire muziek verhoogt bovendien ook nog eens de concentratie IgA antilichamen.

  • En op 5 in de Top 5: sex.
    Minimaal 1 keer per week sex is al voldoende (je zou tegelijkertijd advies 1 kunnen opvolgen). De verklaring is weer te vinden bij de neurohormonen en een actief sexleven schijnt ook de IgA productie te stimuleren.
De publicatie eindigt met een aantal voedingsadviezen om het immuunsysteem te stimuleren (groene thee, knoflook, chocolade). De relatie tussen voeding en immuunsysteem komt in een later blog nog aan bod.

Is het bovenstaande een broodje belazer of zit er een kern van waarheid in? Alle adviezen komen neer op een bewust en actief leven. Een advies om minimaal 4 uur per dag naar de TV te kijken, of altijd de auto naar de supermarkt te nemen zit er niet tussen. Een Top 5 van adviezen zou dus ook een Top 1 kunnen zijn: leef bewust en gezond. Dat houdt je lichaam, en dus ook je immuunsysteem, in optimale conditie.